Waar komt de aardappel vandaan?

De Vlaamse botanist Carolus Clusius heeft de aardappel in de Tachtigjarige Oorlog naar Nederland gebracht toen hij hoogleraar werd in Leiden (rond 1600). In die tijd werd de aardappel nog niet als basisvoedsel gezien, maar veelal gebruikt als medicijn en sierplant in hoven en tuinen. Vanuit de botanische tuin in Leiden vond de aardappel ook zijn weg naar de botanische tuinen van Amsterdam en Groningen. Ondanks lyrische beschrijvingen van de aardappel werd de nieuwe plant door de Europeanen niet onmiddellijk als voedselbron beschouwd. De aardappel is tot ver in de achttiende eeuw uitsluitend als bijzondere tuinplant gebruikt.

Rondom 1760 waren het de Friezen die de aardappel omarmden. Het bleek een goedkoop en makkelijk te telen gewas. Andere streken in Nederland volgden pas later. Ook in Duitsland, Scandinavië en de Slavische landen duurde het vrij lang voor de aardappel gemeengoed werd. Pas aan het begin van de 19e eeuw stonden bij grote delen van de Europese bevolking aardappels op het menu.

De aardappel is weliswaar een zeer voedzame knol, maar de bevolking bekeek de aardappel eerst met achterdocht. Het loof en de bessen zijn giftig. Dan moest de knol ook wel giftig zijn. Door het mislukken van de graanoogsten door roest (een schimmelziekte) en oorlog ging de arme hongerige bevolking toch aardappels telen. Frederik de Grote van Pruisen is hier een stimulerende factor in geweest door zijn onderdanen in oorlogstijd te dwingen aardappels te telen om zijn manschappen en de bevolking van voedsel te voorzien (1755).