Omgang met milieu bij de teelt

Wat gebeurt er in de aardappelsector op het gebied van duurzaamheid? Op deze pagina vind je meer informatie over omgang met de bodem, gewasbeschermingsmiddelen en waterkwaliteit.

Voedingsstoffen en bemesting

Duurzame voedselproductie begint bij een gezonde bodem met een goede structuur en met voldoende voedingsstoffen. Een aardappelplant levert onder optimale groeicondities ook vele malen beter. Wanneer de plant in zijn groeiperiode geen 'stress' of tekorten heeft kan hij volop groeien. Het opbrengstverschil tussen aardappels wordt voor 70% verklaard door bodemstructuur en voor 30% door bemesting. 

Ten opzichte van tien of twintig jaar geleden wordt nu vanwege de zorg om de kwaliteit van bodem en oppervlaktewater, maar ook vanwege schaarste van meststoffen, anders naar bemesting gekeken. Er is milieuwetgeving om bodem en water te beschermen waardoor er minder meststoffen worden gebruikt dan vroeger en er minder ophoping van meststoffen in de bodem of uitspoeling naar het oppervlaktewater plaatsvindt.

De aardappelteler bemest de grond veelal twee keer. Eén keer voorafgaand aan het poten en één keer nadat de aardappels boven de grond staan: een soort nagift afhankelijk van hoeveel de aardappel dan nog nodig heeft voor de rest van het seizoen. Dit gedoseerde toedienen voorkomt dat een deel van de meststoffen verloren gaan door uitspoeling. Ook andere bemestingsstrategieën – zoals het telen van een groenbemester - dragen bij aan het efficiënt omgaan met de meststoffen. Een aantal nieuwe aardappelrassen is inmiddels zo efficiënt in hun nutriëntenopname dat ze met heel weinig fosfaat toe kunnen om een optimale prestatie te kunnen leveren.

Gewasbeschermingsmiddelen

Gewasbeschermingsmiddelen zijn middelen die planten beschermen tegen ziekten, plagen en onkruid. Gebruik ervan zorgt ervoor dat de opbrengst en de kwaliteit van de aardappels niet verloren gaat door schimmels en insecten. Een voorbeeld waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet is voor de bestrijding van de gevreesde aardappelziekte Phytophthora Infestans. Deze ziekte is vijand nummer één van de aardappel en moet tijdens de teelt bestreden worden om te voorkomen dat  het gewas ziek wordt en de oogst verloren gaat.  

Telers werken tegenwoordig met intelligente beslissingsondersteunende gewasbeschermingssystemen. Deze systemen helpen de boer om te bepalen of, wanneer en met welke dosering een bestrijding moet worden uitgevoerd, op basis van het weer, de weersvoorspellingen en de eigenschappen van de ziekte. Zo komt het voor dat boeren voor dag en douw hun bed uit gaan om op het optimale tijdstip de middelen toe te passen. Belangrijk is bijvoorbeeld dat het bestrijdingsmiddel voor een goede werking moet drogen. Dat betekent dat het na het toepassen van de middelen één à twee uur niet mag regenen.

Om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te beperken maken aardappeltelers zoveel mogelijk gebruik van rassen die resistent zijn tegen ziekten. Zo worden de aardappelpercelen bijvoorbeeld regelmatig bemonsterd op de aanwezigheid van aaltjes. Aaltjes zijn een veel voorkomende vijand van de aardappel. Ze tasten de wortels en de ondergrondse stengeldelen van de aardappelplant aan en beperken zo de groei van de plant. Met behulp van de bemonstering kan de boer een aardappelras kiezen dat resistent is tegen het type aaltje dat in zijn land is gevonden. Op deze wijze kunnen de aaltjes geen schade aanrichten en zich niet vermeerderen. 

In de bewaarplaatsen van aardappels worden in de winter kiemremmingsmiddelen gebruikt om te voorkomen dat de aardappels gaan kiemen. Kiemen zijn eigenlijk kleine nieuwe plantjes die op de aardappel groeien; ze verdampen vocht en daardoor droogt de aardappel uit. Door de aardappels iets kouder te bewaren kan deze kieming worden beperkt. Ook zijn er nieuwe kiemremmingsmiddelen in opkomst die gebruik maken van natuurlijke stoffen, die het gebruik van chemische middelen vervangen. Voorbeelden zijn het gebruik van ethyleen – een gas dat o.a. vrijkomt bij de rijping van bananen – of olie uit karwijzaad. 

Waterkwaliteit

Behoud van de kwaliteit van het oppervlaktewater is belangrijk omdat de aardappelteler dit soms zelf weer nodig heeft voor beregening, maar ook omdat er drinkwater van wordt gemaakt. Er moet bij de aardappelteelt dus voor gezorgd worden dat er zo min mogelijk meststoffen en bestrijdingsmiddelen in het grond- en oppervlaktewater terecht komen. Dit kan bereikt worden door alternatieven te zoeken voor schadelijke middelen, zo zuinig mogelijk met deze middelen om te gaan, en door langs sloten speciale driftarme spuitdoppen en driftarme kantdoppen te gebruiken. Hierdoor kan het spuitmiddel niet makkelijk wegwaaien van de plaats van toediening. Ook bestrijden aardappeltelers steeds vaker het onkruid mechanisch in plaats van met de spuit.